MADRID – De wortels van de actuele Spaanse bankencrisis liggen in het anti-economische denken dat sinds de Reconquista en de ontdekking van Amerika de economische ontwikkeling in de weg zit. Het lidmaatschap van de EU in 1986 heeft niets aan deze houding veranderd. Fragmenten.

Dit artikel is te lezen op de website van www.presseurop.eu en komt oorspronkelijk van de website van de Süddeutsche Zeitung. Geschreven door Sebastian Schoepp en vertaald door Menno Grootveld.

Wat is er aan de hand met Spanje? Nog in de regeringsperiode van minister-president José María Aznar (1996-2004) was het land een van de groeivoorbeelden van de Europese Unie. Er ging voor 150 miljard euro aan structurele hulp van Brussel naar de op drie na grootste economie van de eurozone.

Maar in plaats van florerende bedrijven staan op de magere grond van Andalusië en Castilië investeringsruïnes, die er intussen net zo doods en verlaten bij liggen als de vervallen burchten uit de tijd van de Spaanse ridder El Cid. In beide verschijningsvormen komt een anti-economisch maatschappijmodel tot uitdrukking, waardoor Spanje nu al vijfhonderd jaar wordt gekenmerkt.

Het land wilde er zo snel mogelijk bij horen

Spanje beleefde de nieuwe tijd in een zelfverkozen isolement, dat pas in de jaren 60 van de vorige eeuw werd doorbroken, toen dictator Francisco Franco het land openstelde voor het toerisme. Spanje is dus in een laat stadium en struikelend de moderne tijd binnengetreden, “opgewonden en gehaast als een gast, die als laatste op een banket verschijnt, om zo mogelijk alsnog in te halen wat hij heeft gemist”, zo schreef Juan Goytisolo in 1979 in zijn nog altijd actuele essay España y los españoles (‘Spanje en de Spanjaarden).

Met dezelfde overdreven ijver is Spanje twintig jaar later de manna gaan uitgeven, die in de vorm van Europese structuurfondsen uit de hemel is gevallen. Maar in plaats van te investeren in een productieve maatschappij, wilde het land er zo snel mogelijk bij horen en zich moderniseren, wat vooral betekende: er modern uitzien. Het geld werd in de bouw gestoken, aanvankelijk op zinvolle wijze, maar later – bevorderd door Aznars ultra-liberale grondpolitiek – in een waanzinnig tempo.

De triomftocht van het anti-economische gedachtengoed is echter al in 1492 begonnen. Destijds ontdekte Spanje niet alleen Amerika, maar versloeg het ook de laatste restanten van het Arabische rijk in Granada en verdreef het de Moren en de Joden. Deze beide groepen hielden zich bezig met ambachten en de handel. De christelijke hidalgo [een persoon van Spaanse adel, red.] schuwde de arbeid juist. Die was hem op grond van een bizarre erecode verboden; slechts in het militair zijn zag hij een door God gegeven opdracht.

Europa hield op bij de Pyreneeën

De rijkdommen uit de koloniën stroomden door Spanje heen als vloeibaar goud. Midden-Europa werd rijk van het Inca-goud, terwijl de Spaanse edellieden op hun bouwvallige landerijen zaten te lanterfanten.

De Inquisitie vervolgde driehonderd jaar als ketterij alles wat ook maar enigszins een productieve indruk maakte. Wie onderzoek deed, knutselde of las, liep het gevaar op de brandstapel te belanden.

Na het einde van de Inquisitie leefde de onderzoeksvijandigheid voort in het Spaanse katholicisme. Zelfs de secularisatie is het niet gelukt door dit pantser heen te breken. Alleen in Baskenland en Catalonië ontstonden industriële structuren. Men zorgde wel voor verbindingen met het buitenland, maar hinderde die ook meteen weer. Er kwam een spoorwegnet, maar met een andere spoorbreedte dan in Frankrijk, om Europa niet te dicht te naderen. Europa hield op bij de Pyreneeën, zo heette het.

Franco legde het fundament voor speculatieve bloei

In de 19e eeuw ontstond er slechts in aanleg een dynamisch, handelsgezind en politiek bewust burgerdom. Als enige land ter wereld kende Spanje een sterke anarchistische beweging. Zij leeft tegenwoordig voort in de ‘indignados’ (de ‘verontwaardigden’) op het Puerta del Solplein in Madrid. Zij worden verenigd door hun afkeer van het kapitalisme, maar kunnen het niet met elkaar eens worden.

Het anarchisme triomfeerde in de jaren 30 van de vorige eeuw, maar werd in de burgeroorlog met putschist Franco onder de voet gelopen. Franco bracht Spanje terug in de tijd van de Inquisitie. Om voor rust te zorgen, bevorderde hij na zijn zege doelbewust het huizenbezit. Door woningbouw en financiële subsidies maakte hij van de Spanjaarden een natie van huiseigenaren – en legde hij het fundament voor de latere speculatieve bloei van de huizenmarkt.

Hoewel Spanje de politieke omwenteling na het einde van de dictatuur in 1975 met bravoure overwon en een vrijmoedige samenleving heeft geschapen, bleef het land economisch in de late middeleeuwen steken.

Spanje moet zijn toevlucht nemen in bescheidenheid

In veel Spaanse dagbladen en blogs heerst nog steeds het op zichzelf gerichte retorische gebaar of het kleinmoedige, partijdige gekibbel. De kortzichtigheid verbiedt het de Castilianen of Andalusiërs iets af te kijken van de productievere Basken of Catalanen, terwijl de laatstgenoemden standvastig weigeren de eigen talenten te delen met de rest van het land.

Als de Spanjaarden moeten presteren, zo schrijft Goytisolo, gaat het hun minder om het materiële gewin dan om het feit dat ze ergens aan kunnen deelnemen. Maar de Angelsaksische markten, die zijn gedrild in koele protestantse efficiëntie, gunnen Spanje de tijd niet om deze geaardheid maatschappelijk te gelde te maken. De noodzakelijke ombuiging naar een op de praktijk georiënteerd onderwijs- en onderzoekssysteem blijft nu in bezuinigingsdwang steken.

Zolang Europa niet besluit de Pyreneeëngrens af te breken, met behulp van gerichte hulp bij de schoorvoetend begonnen modernisering van de economie en het onderwijs, moet Spanje zijn toevlucht nemen tot een eigenschap die volgens Goytisolo ook steeds een doorbraak in de weg heeft gestaan: zijn bescheidenheid.

De Spanjaarden weten wat het is om een crisis te doorstaan. Dat hebben ze al vijfhonderd jaar gedaan.

Vertaald uit het Duits door Menno Grootveld.